keeshond websiteBegrippen in de fokkerij
Erfelijkheid
Ouders geven hun eigenschappen door aan hun kinderen via hun DNA.   DNA zit in lange strengen, chromosomen genoemd,  in alle cellen van ons lichaam. Op die chromosomen zitten de genen. Genen komen altijd als koppel voor, ééntje kwam van vader en ééntje kwam van moeder. Genen zorgen op hun beurt voor de aanmaak van eiwitten en eiwitten maken de erfelijkheid zichtbaar en merkbaar. Eiwitten zorgen, samen of alleen, voor onze oogkleur, onze bevattelijkheid voor ziektes, (een deel van) ons karakter, ons immuunsysteem en alles wat ons maakt tot wat we zijn.

Inteelt
Genen horen 2 aan 2 bij elkaar. De ene komt van vader, de andere van moeder en dat is bij alle genen zo. Het percentage inteelt zegt hoe groot de kans is dat het gen dat van vader komt precies hetzelfde is als die van moeder komt.
Een kruising tussen halfbroer en halfzus geeft een inteeltpercentage van 12,5%. Tussen broer en zus 25%. Beide zijn in  ons fokreglement niet toegestaan.
Waarom is inteelt slecht?
De natuur streeft ernaar om zoveel mogelijk genen te bewaren en aan de nakomelingen door te geven, de genenpoel wordt zo groot gehouden. Bij rashonden wordt de genenpoel steeds kleiner, we selecteren op ras,  maat, kleur en daarmee sluiten we bepaalde  genen uit om aan het nageslacht mee te geven. We selecteren op de genen die zichtbaar zijn, maar waar we ook ongemerkt op selecteren zijn de genen die ‘onzichtbaar’ hun werk doen, bv in het immuunsysteem. De gevolgen van inteelt zijn: en korter leven, kleine nesten, onvruchtbaarheid, allergieën, het vaker voorkomen van erfelijke ziektes.

Voorouderverlies
Door inteelt komen er op een stamboom vaker dezelfde namen voor. Zes generaties voorouders zouden 124 verschillende voorouders moeten bevatten. Als dat er minder zijn is er dus verlies van voorouders. Dit kan in een percentage worden uitgedrukt. In Nederland wordt altijd met inteelt gerekend, met name in Duitsland is voorouderverlies (Ahnenverlust) nog een belangrijk begrip.

Het verschil tussen inteelt en voorouderverlies is dat er bij de berekening van inteelt rekening wordt gehouden in welke generatie de dubbele voorouder voorkomt. Een voorouder in de 5e en 6e generatie heeft een andere, mindere,  invloed dan wanneer hij in de 2e en 3e generatie voorkomt. Bij voorouderverlies wordt daar geen rekening mee gehouden.

Bij het fokken moet ernaar gestreeft worden een inteeltpercentage van minder dan 6% aan te houden, voor voorouderverlies zou dan 15% kunnen zijn. Een oude fokker wist het al: op een 3 generatie-stamboom zoals wij de in Nederland hebben, mag elke voorouder maar 1 maal voorkomen.

Dominant en recessief vererven
Bij dominante vererving is het genoeg als één van de 2 genen een eiwit aanmaakt dat een ziekte veroorzaakt. Een hond met 1 zo’n gen is ziek. Zo is PHPT een dominant verervende ziekte.  Vaak is het zo, dat als een dominant gen 2 maal voorkomt, de pup al voor de geboorte sterft of in elk geval niet oud wordt. Voor dominant verervende aandoeningen is reletief makkelijk een DNA test te ontwikkelen.
Bij recessieve vererving is ook één van de 2 genen veroorzaker van een ziekmakend eiwit, maar toch is de hond er niet ziek van. Bij dit soort aandoeningen moet een hond 2 genen hebben die de ziekte veroorzaken om ook echt ziek te worden. PRA vererft op deze manier. Het is vaak tijdrovend en kostbaar om voor dit soort aandoeningen een DNA-test te ontwikkelen.
Er zijn bij recessieve aandoeningen 3 mogelijkheden:
Dragers: daarmee worden die dieren bedoeld die, zonder zelf ziek te zijn, één ziekmakend gen bezitten en ook kunnen het doorgeven aan het nageslacht.
Lijders: de dieren die ziek zijn, ze hebben 2 zieke genen en ze zullen het  zieke gen dus zeker doorgeven aan het nageslacht.
Vrije dieren: zij bezitten het ziekmakende gen niet en geven het dus ook niet door.

In schema ziet dat er zo uit, boven is ouder 1, aan de zijkant is ouder 2, de mogelijkheid voor het nageslacht staat in de hokken. dmschema
De genoemde percentages zijn gebaseerd op kansberekening, in de werkelijkheid van een nest kan er heel anders uitzien.

Populaire reu
Er zijn altijd reuen die veel voor dekkingen gevraagd worden, het is een mooie hond met veel titels, of om een andere reden willen fokkers hem gebruiken. Deze reu wordt  veel gevraagd en krijgt dus veel nakomelingen. Als deze reu een ziekte vereft (alle honden dragen een handvol erfelijke aandoeningen in hun genen) dan zit dat in een aantal jaren door de hele populatie. De genenpool wordt er ook ernstig door verkleind, binnen korte tijd zijn erg veel honden aan elkaar verwant. Vandaar dat de NKC in het fokreglement heeft opgenomen dat een reu 4 maal per jaar mag dekken. Mocht hij een ziekte vereven, dan hebben fokkers de tijd om dat te ontdekken, voordat alle lijnen ermee besmet zijn geraakt.
Het is belangrijk dat veel reuen voor de fok kunnen worden ingezet. Het zou zeer wenselijk zijn dat meer ‘huishonden’ 2 keer naar show gaan en de gezondheidsonderzoeken ondergaan.

error: Content is protected !!